arrow close icon-chevron-left icon-chevron-right icon-twitter icon-facebook icon-linkedin icon-zoom icon-trash icon-user icon-cart icon-search icon-chat
De Clausule ladingdiefstallen opnieuw bekeken
Verzekeringen Clausule Ladingdiefstallen G23

De Clausule ladingdiefstallen opnieuw bekeken

In veel wegvervoerdersaansprakelijkheidsverzekeringen komt de zogenoemde Clausule ladingdiefstallen voor (zie kader). Het doel van die clausule is om wegvervoerders te stimuleren om zoveel mogelijk maatregelen te nemen om diefstal van een gehele lading te voorkomen.

1. De Clausule ladingdiefstallen ontleed

De opzet van deze clausule is als volgt:

  1. In het eerste lid wordt – in geval van diefstal van een gehele lading – een eigen risico beschreven in de vorm van een aftrek van (meestal) 30% van de schade met een minimumaftrek van (meestal) 25.000,-. Het venijn zit hem echter in de tweede zin van dat eerste lid: behalve de aftrek eigen risico wordt ook de maximum uitkering onder de polis gemaximeerd tot (meestal) 125.000,-.
  2. In het tweede lid wordt de wegvervoerder ‘beloond’ als hij de daar beschreven beveiligingssystemen op zijn vrachtwagen heeft geïnstalleerd. De bovengenoemde aftrek en maximering van de uitkering wordt niet toegepast. De vervoerder krijgt volledige dekking onder de polis, natuurlijk beperkt tot het in de polis genoemde verzekerde bedrag.
  3. In het derde lid wordt de vervoerder weer ‘gestraft’ als er sprake is van zijn eigen roekeloosheid dan wel opzet of roekeloosheid van zijn ondergeschikten of door hem ingeschakelde ondervervoerders of andere hulppersonen: in dat geval worden de aftrek en maximum uitkering weer wel toegepast.

2. Enkele rekenvoorbeelden

Casus 1

De CMR-vervoerder is aansprakelijk voor de diefstal van een gehele lading sigaretten met een gewicht van 13 ton en een waarde van 1.000.000,-. Er is geen sprake van opzet of roekeloosheid. Deze CMR-vervoerder mag zich jegens de ladingbelanghebbenden op de CMR-limiet beroepen, 13.000 kg x SDR 8,33 = SDR 108.290,-, omgerekend ca. 125.000,-. De onder de polis vallende schade is derhalve 125.000,-. De vrachtwagen was niet beveiligd volgens de voorschriften van het tweede lid, namelijk beveiliging van klasse B 2 in plaats van de voorgeschreven B 3. Op deze schade wordt de aftrek van 30% toegepast; dat is 37.500,. De vervoerder betaalt aan de ladingbelanghebbenden 125.000,- en hij ontvangt van zijn aansprakelijkheidsverzekeraar 87.500,-.

Casus 2

Zelfde diefstal van sigaretten, maar de chauffeur zit in het complot: opzet van een ondergeschikte. De vrachtwagen was overigens nu wel beveiligd volgens B 3, maar dat helpt niet bij opzet van de chauffeur. Jegens ladingbelanghebbenden is deze CMR-vervoerder onbeperkt aansprakelijk; hij moet hen 1.000.000,- betalen. Zijn aansprakelijkheidsverzekeraar past op grond van het derde lid de aftrek toe, in casu 30% van 1.000.000,- is 300.000,-., zodat hij slechts 700.000,- hoeft uit te keren, ware het niet dat de uitkering is gemaximeerd tot 125.000,-! Hij keert dus onder de polis 125.000,- uit terwijl de vervoerder 1.000.000,- aan de ladingbelanghebbenden moet betalen: mogelijk het faillissement van een kleine vervoerder.

Casus 3

Diefstal van 20 ton bundels tin ingots; waarde 300.000,-. De trekker is uitgerust met beveiligingsklasse B 2 in plaats van de voorgeschreven B 3. De CMR-vervoerder is jegens ladingbelanghebbenden aansprakelijk tot de CMR-limiet, in casu 20.000 kg x SDR 8,33 = SDR 166.600,-, ca. 190.000,-. De aansprakelijkheidsverzekeraar past de maximum uitkering van 125.000,- toe en hij keert dus slechts dat bedrag uit aan zijn verzekerde, de CMR-vervoerder. De vervoerder moet dus uit eigen zak 65.000,- aan ladingbelanghebbenden betalen.

Casus 4

Was er bij de tin diefstal wel sprake van een goed beveiligde trekker (B 3) maar ook opzet van de chauffeur, dan is deze CMR-vervoerder jegens zijn ladingbelanghebbenden ongelimiteerd aansprakelijk (20 ton tin kost 300.000,-) en hij ontvangt van zijn verzekeraar wederom dat bedrag van slechts 125.000,-.

​​​​​​​G23 Clausule ladingdiefstallen bij beroepsgoederenvervoer over de weg (versie 2009)(2)

1. • In geval van diefstal, verduistering of vermissing van een gehele lading, welke zich in een vervoermiddel bevindt, onverschillig of die lading later geheel of gedeeltelijk wordt teruggevonden, zal onder de polis vallende schade worden vergoed onder aftrek van ....... %, met een minimum van EUR .......

• Bij diefstal, verduistering of vermissing van een deel van het vervoermiddel of voertuigcombinatie geldt de aftrek overeenkomstig. Indien de aftrek wordt toegepast zal vergoeding van schade onder de polis worden gemaximeerd tot een bedrag van EUR ....... per schadegeval.

• Bij de berekening van het schadebedrag dat ten laste van de polis kan worden gebracht, zal de aftrek worden toegepast vóór andere in de polis voorkomende eigen risicobepalingen.

2. De aftrek zal evenwel niet worden toegepast indien:

  • het vervoermiddel waarmee het transport plaatsvond, was uitgerust met een door de verzekeraar geaccepteerd en door VbV of een soortgelijke instantie goedgekeurd beveiligingssysteem, dat in overeenstemming is met de voorgeschreven beveiligingsklasse conform de bij deze clausule behorende risico-indeling, mits de verzekerde aantoont dat het beveiligingssysteem ten tijde van de diefstal, verduistering of vermissing in werking was en
  • het door de verzekeraar geaccepteerd en door VbV of een soortgelijke instantie goedgekeurd beveiligingssysteem jaarlijks gecontroleerd en goedgekeurd is door een erkend VbV inbouwbedrijf.

3. De aftrek zal wel worden toegepast indien de diefstal, verduistering of vermissing van een gehele lading is veroorzaakt door:

  • roekeloosheid van verzekerde of
  • opzet of roekeloosheid van ondergeschikten en/of personen van wier hulp verzekerde bij de uitvoering van de vervoerovereenkomst gebruik maakt.

3. De clausule nog nader toegelicht

De roekeloosheid van de verzekerde als genoemd in het derde lid betreft roekeloos gedrag van de vervoerder zelf. Dat wil zeggen, als de vervoerder een rechtspersoon (bijvoorbeeld een BV) is, gaat het om roekeloos gedrag van de directie of leidinggevenden van de vennootschap. Daaronder valt niet het hoofd van de planning, want die persoon geeft weliswaar leiding aan de planning van de logistieke activiteiten maar hij geeft geen leiding aan de (financiële) gang van zaken van de vennootschap. In de praktijk komt roekeloosheid van de verzekerde zelf, als hij geen eigen rijder is, zelden of nooit voor. Overigens, opzet van de verzekerde zelf valt nooit onder enige verzekeringsdekking.

Minstens zo belangrijk in de praktijk (en dat laat de onderstaande jurisprudentie ook zien) is het tweede lid van de clausule dat voorschrijft welk beveiligingssysteem bij welke producten moet zijn geïnstalleerd op het vervoermiddel. Dit beveiligingssysteem moet zijn goedgekeurd door het VbV (Verzekeringsbureau Voertuigencriminaliteit (3)) en de technische gegevens over de beveiligingsklassen vinden we bij KIWA SCM.(4)

Beveiligingsklasse B 3 is bijvoorbeeld vereist voor Categorie IV producten, te weten confectie, elektronica, softwaredragers, non-ferro metalen (zoals tin), alcoholische dranken met uitzondering van bier, tabakswaren, geneesmiddelen, parfums en cosmetica.

Die klasse B 3 bestaat uit een systeem dat automatisch inschakelt en het op eigen kracht verplaatsen van het voertuig verhindert, detectie, alarmering door middel van noodstroomsirene, uitgebreid met kanteldetectie of motorkapdetectie. Deze vereisten worden nader opgesomd: blokkering op de brandstofvoorziening, onderbreking van het startmotorcircuit en met aanvalsbestendigheid van minimaal 15 minuten; omtrekdetectie en ruimtelijke detectie, optische signalering, kanteldetectie/motorkapdetectie en akoestische signalering door middel van noodstroomsirene. Klasse B 2 kent overigens precies dezelfde vereisten met dien verstande dat de aanvalsbestendigheid minimaal 5 minuten moet bedragen.

Als je die vereisten zo leest, vraag je je toch af hoe het mogelijk is dat dieven er toch in slagen vrachtwagens voorzien van beveiligingsklasse B 3 te stelen. Onderstaande jurisprudentie laat zien dat dat heel wel mogelijk is.

4. Enkele rechterlijke uitspraken

4.1 Het doel van de clausule

Diefstal van een gehele lading nikkelbriketten. De aansprakelijkheidsverzekeraar van de vervoerder betaalt de gehele schade van NLG 970.000,- aan de ladingbelanghebbenden. Nadien realiseert de verzekeraar zich dat hij jegens zijn verzekerde, de vervoerder, een beroep had kunnen doen op de Clausule ladingdiefstallen en dat hij aan zijn verzekerde/vervoerder slechts de maximum uitkering van in casu NLG 250.000,- had moeten vergoeden. De verzekeraar vordert derhalve het teveel betaalde (NLG 970.000 minus NLG 250.000,- is NLG 720.000,-) terug. De verzekeraar stelt zich op het standpunt dat het hoge eigen risico (maximum uitkering tot NLG 250.000,-) hier moet worden toegepast, met name omdat het betreffende voertuig niet was uitgerust met een beveiligingssysteem.

De vervoerder stelt daar tegenover dat het al dan niet aanwezig zijn van enig beveiligingssysteem in deze zaak geen verschil had gemaakt nu de trailer door eigen mensen van de ondervervoerder is gestolen (verduistering) en een beveiligingssysteem het misdrijf hoe dan ook niet had kunnen voorkomen.

Het Hof Den Haag (5) is van oordeel dat één van de situaties waarin de aftrek in ieder geval (curs., hof) zal worden toegepast, de situatie is waarin het voertuig niet is uitgerust met een goedgekeurd beveiligingssysteem van het voorgeschreven type. De rechtbank (6) had al geoordeeld dat het doel van de clausule tweeledig is, namelijk voor verzekeraars het risico beperken in die gevallen waarin geen preventieve maatregelen zijn getroffen en het stimuleren van vervoerders om goede preventieve maatregelen te treffen voor die situaties waarin dergelijke maatregelen effect kunnen hebben. Het hof is het hiermee eens en voegt eraan toe dat het financiële belang (volledige uitkering zonder aftrek of maximering van de uitkering) aan verzekerden wordt geboden die kunnen aantonen dat het vervoermiddel was uitgerust met een beveiligingssysteem. Aanschaf en periodieke keuring van zo’n beveiligingssysteem vergen uiteraard een bepaalde investering. Tegenover die investering staat het financiële belang van een onder omstandigheden niet toegepaste aftrek. Anderzijds vormt de regeling (aftrek wordt wel toegepast als niet aan de beveiligingsvereisten is voldaan) tevens een beperking van het door verzekeraars te dragen risico. Het is dus een mes dat aan twee kanten snijdt, zo besluit het hof zijn betoog.

4.2 Niet de juiste beveiligingsklasse, toch geen aftrek

Deze zaak betreft een enigszins atypisch geval en het is nog ingewikkeld ook. Dit vonnis van de Rechtbank Rotterdam (7) laat echter wel goed zien wat het doel van de clausule is en dat onder bijzondere omstandigheden toch geen beroep op de aftrekregeling kan worden gedaan omdat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Diefstal van computerapparatuur uit twee opleggers. De motorwagen van de ene combinatie A is voorzien van een gecertificeerd en goedgekeurd B 3 beveiligingssysteem; de trekker B van de andere combinatie is ook voorzien van een beveiligingssysteem, maar geen B 3 beveiligingssysteem. Wanneer in het weekeinde dieven er niet in slagen de trekker B te starten, trekken zij deze met behulp van een eveneens op het terrein aanwezige losstaande trekker C, die voorzien is van een B 3 beveiligingssysteem, los van de oplegger B en koppelen deze oplegger aan de trekker C. Vervolgens beladen de dieven oplegger B nog met een deel van de lading van vrachtwagencombinatie A en gaan de dieven er met de nieuwe combinatie (trekker C en oplegger B) vandoor. Verzekeraars stellen zich op het standpunt dat het verhoogd eigen risico van 30% van toepassing is met betrekking tot de computers geladen in oplegger B (diefstal van een deel van de voertuigcombinatie).

Partijen zijn het eens over de ratio van deze Clausule ladingdiefstallen. Het naleven van beveiligingsvoorschriften bevordert de bedrijfscultuur, waarin de zorg voor het voorkomen van diefstal en verduistering serieus wordt genomen. De aanschaf en periodieke keuring van een beveiligingssysteem vergt een bepaalde investering. Daar staat vervolgens tegenover het financiële belang van een onder omstandigheden niet toegepaste aftrek. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeraar in beginsel een beroep kan doen op deze clausule tenzij verzekerde de in lid 2 vermelde maatregelen heeft genomen en geen sprake was van roekeloosheid aan haar zijde. Vervolgens komt de belangrijke opmerking van de rechter dat – hoewel geen causaal verband is vereist tussen het ontbreken van de beveiligingsmaatregelen en de schade – onder omstandigheden een beroep op het beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn. Die situatie doet zich hier voor. De dieven zijn er immers niet in geslaagd de trekker B te stelen die weliswaar niet voldeed aan de beveiligingsvoorschriften (geen B 3 beveiligingssysteem), maar ze hebben wel de trekker C die voorzien was van het B 3 systeem voor een diefstal gebruikt. Verder moet worden aangenomen dat de beveiligingsmaatregelen die de verzekerde wel had getroffen, er mede toe hebben geleid dat de dieven bijna twee uur nodig hebben gehad om er met de buit vandoor te gaan. De beveiliging van trekker B is dus minstens zo goed geweest als de in de Clausule ladingdiefstallen in lid 2 bedoelde beveiliging. Onder deze omstandigheden, zo eindigt de rechtbank, is het beroep op lid 2 van de clausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De verzekerde heeft immers een groot aantal investeringen gedaan ter beveiliging van de op het terrein geparkeerde vrachtwagens en daarmee heeft verzekerde in de geest van die Clausule ladingdiefstallen gehandeld. Bij onverkorte toepassing van de clausule zou verzekerde, ondanks de door haar gedane investering in beveiligingsmaatregelen, worden geconfronteerd met een fors eigen risico.

4.3 Aftrek wordt wel toegepast

Diefstal van een oplegger met daarin een lading tin ingots. De trekker was uitgerust met een B 2 beveiliging. Volgens de hier toepasselijke Clausule ladingdiefstallen was voor non-ferro metalen (in casu tin) beveiligingsklasse B 3 voorgeschreven. Het Hof Den Haag (8) buigt zich over de vraag of de vervoerder toch recht heeft op volledige uitkering (193.000,-) in plaats van de gemaximeerde uitkering van 125.000,- nu – volgens de vervoerder – het causaal verband ontbreekt tussen de beveiligingsklasse van het op de trekker aanwezige alarmsysteem en de diefstal. Het hof is van oordeel dat de clausule deel uitmaakt van de primaire dekkingsomschrijving. Voorts acht het hof aannemelijk dat de in de clausule omschreven beperkte dekking voor schade als gevolg van diefstal, verduistering of vermissing van lading invloed heeft gehad op de premiestelling, hetzij in concreto hetzij als uitvloeisel van de premiestelling voor risico’s als de onderhavige.

Het hof vervolgt met de overweging dat het onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn dat de verzekeraar zich op het hoge eigen risico beroept, maar dat dat principe terughoudend moet worden toegepast. Het enkele feit dat causaal verband ontbreekt tussen de beveiligingsklasse van het alarmsysteem en de diefstal is naar het oordeel van het hof in elk geval onvoldoende om een beroep op de clausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten. Onder aanhaling van de argumenten van zijn eerdere – onder 4.1 besproken – arrest onderstreept het hof nog eens dat de eis van het actief en aantoonbaar naleven van de beveiligingsvoorschriften een bedrijfscultuur bevordert waarin de zorg voor het voorkomen van diefstal en verduistering serieus wordt genomen. Het hof merkt daarnaast nog op dat ingevolge de clausule het niet aanwezig zijn van het voorgeschreven beveiligingssysteem niet leidt tot het ontbreken van volledige dekking, doch slechts tot een hoger eigen risico en een lagere verzekerde som (het maximum van 125.000,-; MHC).

5. Conclusie

Het niet naleven van de beveiligingsvoorschriften van lid 2 van de Clausule ladingdiefstallen leidt tot toepassing van de aftrekregeling waarbij de uitkering wordt gemaximeerd tot (meestal) 125.000,-. Dat is ook het geval als het causaal verband tussen het ontbreken van het voorgeschreven beveiligingssysteem en de diefstal of verduistering ontbreekt. Slechts in een heel bijzonder geval – zie onder 4.2 – zal de verzekeraar bij het niet aanwezig zijn van het juiste beveiligingssysteem toch de volledige schade moeten vergoeden.

In ieder geval kan de verzekeraar zich volgens lid 3 van de clausule op het hoge eigen risico beroepen als de diefstal/verduistering het gevolg is van het opzettelijk of roekeloos gedrag van ondergeschikten van de vervoerder of diens ondervervoerder. Bij CMR-vervoer is de vervoerder dan onbeperkt aansprakelijk voor een miljoen euro ofzo terwijl hij van zijn verzekeraar slechts 125.000,- krijgt. Dat kan het faillissement van de kleine vervoerder betekenen.

Voetnoten

1 Dit woord met 45 letters is het langste woord dat in het recht gebruikt wordt. 

2 De tekst van de clausule plus risico-indeling beveiliging beroepsgoederenvervoer op de weg is te vinden op www.vnab.nl à downloads à polissenclausules ® G23 (2009).

3 Zie www.stichtingvbv.nl op welke website allerlei interessante informatie is te vinden over bestrijding van transportcriminaliteit.

4 Zie www.kiwa.nl/scm ® voertuigbeveiliging ® bedrijfsvoertuigen voor de klassenindeling B 1, B 2, B 3, B 4 en B 5.

5 Hof Den Haag 28 september 2010, S&S 2011, 22.

6 Rechtbank Rotterdam 22 januari 2003, S&S 2003, 131.

7 Rechtbank Rotterdam 2 november 2011, S&S 2012, 67.

8 Hof Den Haag 11 december 2012, LJN: BZ0887.