arrow close icon-chevron-left icon-chevron-right icon-twitter icon-facebook icon-linkedin icon-zoom icon-trash icon-user icon-cart icon-search icon-chat
Geschillen-beslechting Bewijs leveren

Gelijk hebben is nog niet gelijk krijgen

In rechtszaken komen vaak verschillen in interpretatie voor over bepaalde gebeurtenissen en de feiten die zich hebben voorgedaan, alsmede de gevolgen daarvan. Op basis van de gebeurtenissen en de gevolgen wordt aansprakelijkheid toegeschreven aan één van de partijen bij de overeenkomst. Pas na het vaststellen van de aansprakelijkheid kan de rechter een uitspraak doen over de concrete schadevergoedingsplicht.

De rechter baseert zich daarbij op hetgeen partijen aandragen als feiten. Die feiten laten zich niet altijd zomaar vaststellen, maar moeten bewezen worden. De rechter moet ervan overtuigd worden dat een gebeurtenis zich met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid heeft voorgedaan. Het leveren van bewijs kan dus ook worden omschreven als de rechter overtuigen van de feiten.

De rechter doet zelf geen onderzoek naar feiten en kan er niet omheen om een van beide partijen met deze zogenaamde bewijslast op te zadelen. Als partij A een feit stelt en partij B geeft redenen om dat feit te betwijfelen, dan zal bewijs moeten worden geleverd. Als de rechter vervolgens partij A opdraagt dat bewijs te leveren en dat bewijs kan niet worden geleverd, dan verliest partij A de procedure. Omgekeerd, zou de rechter ook partij B kunnen opdragen te bewijzen dat het door partij A gestelde feit niet juist is. Dat kan onrechtvaardig zijn of onrechtvaardig voelen als het niet kunnen bewijzen van de feiten of het niet kunnen overtuigen van de rechter resulteert in een uitspraak die voor een partij conflicteert met haar zienswijze op de schadeveroorzakende gebeurtenissen. Gelijk hebben is dan dus iets anders dan gelijk krijgen.

Hoe de rechter komt tot de verdeling van de bewijslast tussen partijen is soms moeilijk te begrijpen, maar de verdeling is minder willekeurig dan het soms op het eerste gezicht lijkt. In deze bijdrage ga ik nader in op de bewijslastverdeling en bewijsvoering in CMR-geschillen en hoop ik iets van de eventuele onduidelijkheden weg te kunnen nemen. 

Wie eist, bewijst

De rechter bepaalt in beginsel op grond van het toepasselijke materiële recht (de regels die betrekking hebben op de inhoud van rechten en plichten) welke feiten partijen moeten stellen en bewijzen, wil het door hen ingeroepen rechtsgevolg intreden. Oftewel: het materiele recht bepaalt wat gesteld en bewezen moet worden en door wie. Tegenover het materieel recht staat het formeel recht, ook wel het “procesrecht” genoemd. In het procesrecht vinden we regels over het procesverloop in een gerechtelijke procedure. Oftewel: het formeel recht bepaalt in welke volgorde en op welke wijze bewijs van de gestelde feiten kan worden geleverd.

In het CMR-verdrag staat slechts bij enkele artikelen een regeling over het leveren van bewijs. Wanneer het CMR geen regeling geeft voor een vraagstuk van bewijs, moet vervolgens naar het nationale recht gekeken worden. De eerste vraag zal dan telkens zijn, naar welk nationaal recht gekeken moet worden (uit welk land zijn de wetten op deze overeenkomst van toepassing)? Het internationaal privaatrecht (IPR) geeft regels over dit vraagstuk. Het recht van de rechter bij wie het geding aanhangig is gemaakt, is doorgaans van toepassing op vragen met een processueel karakter. Gaat het om een bewijsrechtelijk vraagstuk dat verbonden is aan het materiele recht, dan moet worden gekeken naar het recht dat van toepassing is op de rechtsverhouding tussen partijen zelf.[1] In dit artikel ga ik er verder vanuit dat naast het CMR-verdrag Nederlands recht van toepassing is.

Voor wat betreft het Nederlandse procesrecht geldt dan de hoofdregel dat de stelplicht en bewijslast van bepaalde feiten of rechten rust op diegene die zich beroept op een bepaald rechtsgevolg van deze gestelde feiten of rechten (art. 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering); wie eist, bewijst!

Goed erin?

“Goed erin, goed eruit” is verwoord in artikel 17 CMR. De vervoerder is verplicht de goederen die door hem in ontvangst zijn genomen op tijd en in dezelfde staat op de plaats van bestemming af te leveren. Hij is aansprakelijk voor verlies dan wel beschadiging van de goederen ontstaan tijdens het vervoer. Een afzender (of geadresseerde) die schadevergoeding vordert, zal in dit verband dus moeten stellen en kunnen bewijzen:

  1. Dat de goederen in goede staat zijn aangeboden en in ontvangst zijn genomen door de vervoerder; en
  2. dat de goederen beschadigd of in het geheel niet zijn afgeleverd.

Het door de afzender te leveren bewijs begint vaak bij de vrachtbrief. Als de vervoerder de vrachtbrief zonder voorbehoud heeft getekend, dan geldt het vermoeden dat de goederen in uiterlijke goede staat zijn ingeladen. Dit vermoeden betreft alleen de “uiterlijk waarneembare staat” van de goederen. Heeft de vervoerder bij inontvangstneming geen opmerking geplaatst op de vrachtbrief van (uiterlijk zichtbare) schade of tekorten, dan staat daarmee in beginsel vast dat de goederen in uiterlijk goede staat in ontvangst zijn genomen. Als er geen vrachtbrief is of de vrachtbrief is niet getekend, dan geldt het bewijsvermoeden niet. De afzender moet dan op een andere manier proberen te bewijzen dat de schade tijdens het vervoer is ontstaan. Is door de vervoerder geen voorbehoud gemaakt op de vrachtbrief, dan mag de vervoerder stellen dat de schade niet tijdens het vervoer is ontstaan. De vervoerder moet dan ook bewijs leveren van zijn stelling. Dat wordt tegenbewijs genoemd.

Zo heeft in een uitspraak van het Hof Den Haag van 11 september 2018 [2] de vervoerder ondanks het bewijsvermoeden van art. 9 CMR met succes de vervoersgeschikte staat van de goederen, in dit specifieke geval planten (primula’s), kunnen betwisten. De vervoerder had naar voren gebracht dat niet valt uit te sluiten dat de planten al vóór lading aangetast waren door schimmel, waarna de rechter heeft bepaald dat de afzender moet bewijzen dat de planten geen schimmel hadden. De overwegingen van het hof waren als volgt:

“R.o. 2.12        Stelplicht, en bij betwisting de bewijslast van de vervoersgeschiktheid van de goederen rust op de afzender. Die mag zich daarbij beroepen op het vermoeden van art. 9 lid 2 CMR. Daarbij gaat het echter om de uiterlijke goede staat. Daaruit volgt niet steeds de vervoersgeschikte staat van de goederen. Bijvoorbeeld blijkt uit de uiterlijk goede staat niet de afwezigheid van een gedurende het transport tot schimmelschade leidend eigen gebrek. De (theoretische) mogelijkheid van het bestaan van een dergelijke eigen gebrek is door [X] c.s.[de afzender] niet gemotiveerd betwist.

Nu RAL [de vervoerder] de vervoergeschikte staat heeft betwist […] is het aan [X] c.s. om aan te tonen dat de bloemen geschikt waren om het transport bij een temperatuur van +16°C onbeschadigd te doorstaan.”

De afzender kon het hof er uiteindelijk niet van overtuigen dat de planten in vervoersgeschikte staat – zonder schimmel – waren aangeboden, waarna de vordering werd afgewezen. Als de afzender wel was geslaagd in het bewijs van de vervoersgeschikte staat, zou de bewijslast zich hebben omgedraaid.

Het gebruik van een goed ingevulde en ondertekende vrachtbrief heeft daarmee effect op de bewijslastverdeling. Zie ook mr. L.R. van Hee, Weg en Wagen 93, juni 2021, Jaargang 35.

Vervolgens is het voor de afzender en geadresseerde van belang dat eventuele schade of verliezen uiterlijk op het moment van aflevering ten overstaan van de chauffeur, of, indien het onzichtbare verliezen of beschadigingen betreft, binnen 7 dagen na aflevering ter kennis van de vervoerder worden gebracht (art. 30 lid 1 CMR). Gebeurt dat niet, dan ontstaat het vermoeden dat er juist is afgeleverd. In dat geval zal ook de schade of het verlies nadrukkelijk moeten worden bewezen.

Bewijzen of aantonen

Algemene ontheffingsgronden

Slaagt de afzender of geadresseerde in het bewijs dat de goederen tijdens het vervoer beschadigd zijn geraakt of verloren zijn gegaan, dan mag vervolgens de vervoerder op grond van art. 18 CMR bewijzen dat de schade of het verlies zijn veroorzaakt door feiten of omstandigheden waarvoor hij niet aansprakelijk is. De vervoerder is ontheven van aansprakelijkheid als hij kan bewijzen dat de schade of het verlies is veroorzaakt door

  • schuld van de afzender of geadresseerde,
  • een eigen gebrek van de goederen of
  • overmacht (art. 17 lid 2 CMR).[3]

Schuld van de afzender of geadresseerde

Zo kan een verkeerde instructie of opdracht van de afzender of geadresseerde voor, tijdens of na het transport een vervoerder ontslaan van aansprakelijkheid. Een dergelijk beroep komt niet heel vaak voor, maar wil soms wel slagen. Denk daarbij aan afwijkende of nieuwe instructies op de CMR-vrachtbrief (anders dan eerder overeengekomen), die later onjuist blijken te zijn.[4]

In de hiervoor aangehaalde uitspraak van het hof Den Haag speelde dit ook. De transportopdracht hield in dat het vervoer van de planten moest plaatsvinden bij een temperatuur van +16°C, terwijl de planten bij inontvangstneming al op een temperatuur van +7/8°C werden bewaard en de chauffeur een vrachtbrief had ontvangen waarin staat: TEMP ‘+7 ±9°C’. De instructie aan de chauffeur was dus een andere dan de instructie in de transportopdracht. De vraag die daarmee voorlag was of de vervoerder had mogen afgaan op de afwijkende temperatuurinstructies op de vrachtbrief. Het hof Den Haag overwoog hier dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van afwijkende instructies rusten op de vervoerder. Het was dus aan de vervoerder om te stellen en te bewijzen dat in dit geval de afzender verkeerde instructies had gegeven. Het hof nam aan dat met de instructies en handtekening van de verkoper op de vrachtbrief hiervan een begin van dat bewijs geleverd was. Voorts bepaalde het hof:

“R.o. 2.14        […] In dit geval zou (de chauffeur van) RAL [de vervoerder] de vrachtbrief hebben ingevuld. Voor zover daarbij werd afgeweken van de transportopdracht lag het voor de hand om daarover navraag te doen bij [X] als directe opdrachtgever tot het transport. Volgens RAL is dit ook gebeurd. Overeenkomstig haar aanbod zal zij tot dit bewijs worden toegelaten. […]

Als de vervoerder slaagt in het leveren van het bewijs dat nadere instructies zijn afgestemd met de afzender en met de verkoper van de planten, dan is sprake van nadere instructies aan de chauffeur voorafgaand aan het transport waarop de chauffeur mocht afgaan. De vervoerder wordt in dat geval ontheven van zijn aansprakelijkheid.

Eigen gebrek

Een eigen gebrek van een goed is lastig te bewijzen en hier wordt zelden een beroep op gedaan.

U kunt hierbij denken aan goederen die door hun slechte kwaliteit beschadigd raken of schade veroorzaken – een afwijking die abnormaal is.

Overmacht

Op overmacht wordt regelmatig een beroep gedaan, maar naar vaste Nederlandse rechtspraak wordt een dergelijk beroep vrijwel nooit geaccepteerd. Een dergelijk beroep kan alleen slagen als de vervoerder kan bewijzen dat hij er alles aan heeft gedaan om de schade te voorkomen.

Bijzondere ontheffingsgronden

De vervoerder kan zich ook beroepen op bijzondere ontheffingsgronden, genoemd in artikel 18 CMR. Het voert hier echter te ver om hier nader op in te gaan. Meer hierover kunt u lezen in mr. J.K.M. van der Meché, Weg en Wagen 71, januari 2014, Jaargang 28.

Bewijsmiddelen

Om het noodzakelijke bewijs te kunnen leveren zijn alle bewijsmiddelen in beginsel toelaatbaar, tenzij de wet anders bepaald. Een rechter zal in civiele procedures echter zelden geleverd bewijs buiten beschouwing laten. Bewijs kan worden geleverd door middel van bijvoorbeeld foto’s, schriftelijke bemerkingen of voorbehouden, tests, film- en geluidsopnamen, het horen van getuigen, de benoeming van deskundigen of andere middelen. Veelal zal er ook een expert worden ingeschakeld om de omvang en oorzaak van de schade of het verlies te onderzoeken en vast te stellen. Mr. V. Pool heeft  in de syllabus van het SVA-congres 2012 het verzamelen van bewijsmiddelen uitvoerig besproken.

Bewijswaardering

Uiteindelijk is het aan de rechter om de stellingen over en weer te kwalificeren en aan de hand daarvan de bewijslast neer te leggen bij de meest voor de hand liggende partij.

Vervolgens zal de rechter het te leveren bewijs waarderen en komt het erop aan welke partij de rechter het best kan overtuigen van de gestelde feiten.

De rechter is geheel vrij in zijn waardering van het bewijs. Daarbij kan rekening worden gehouden met aspecten van bijvoorbeeld geloofwaardigheid en consistentie van de verklaringen en de houding van partijen ten aanzien van gestelde feiten en omstandigheden.

Deze vrije waardering van bewijs komt goed tot uitdrukking in een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 februari 2020 [5]. Het ging hierbij om een overeenkomst van wegvervoer van 40 drums verzegelde metalen drums met “chrome metal” van Rusland naar Moerdijk door Trasko in opdracht van Ruschrome. Onderweg parkeert de chauffeur het voertuig in Bobrujsk, Wit-Rusland om vervolgens pas na 52 uur zijn reis te vervolgen. Uiteindelijk blijkt zich in verschillende afgeleverde drums slak te bevinden, terwijl de top laag bestaat uit chrome metal. De sluitingen van de afsluitringen blijken op moeilijk zichtbare wijze te zijn gemanipuleerd en sommige verzegelingsnummers kloppen niet. Ruschrome en haar verzekeraars spreken Trasko aan voor vergoeding van de schade.

De rechtbank overweegt dat in de eerste plaats de stelplicht en bewijslast van het verlies tijdens het vervoer rusten op Ruschrome. Ruschrome voert in dat verband gemotiveerd aan dat de manipulatie van de drums niet kan hebben plaatsgehad bij de fabriek in Rusland, noch bij Euro-Rijn in Moerdijk waar de drums zijn afgeleverd. Bewezen wordt voorts geacht dat zich slechts bij door Trasko vervoerde lotnummers gecontamineerde drums bevonden en de rechtbank stelt vast dat de combinatie van drum- en zegelnummers van de gemanipuleerde drums niet overeenkomen met de lijst van het laadadres in Rusland. De vraag is of aan de hand van het geleverde bewijs kan worden vastgesteld dat de drums in goede staat zijn aangeboden en beschadigd zijn afgeleverd. De rechtbank meent van wel en overweegt dat gelet op de stellingen van Trasko, die niet overeen komen met het expertiserapport en het ontbreken van een toelichting op de activiteiten van de chauffeur in Bodrujsk, Trasko onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat sprake is van diefstal door de chauffeur. Trasko wordt daarmee aansprakelijk gehouden voor de schade die tijdens het vervoer is ontstaan en de vervoerder komt geen beroep toe op de bepalingen die haar aansprakelijkheid beperken. Kortom, de geloofwaardigheid van Trasko en de consistentie van diens verklaringen wordt hier door de rechtbank in twijfel getrokken. Dit pakt, mijn inziens terecht, in het voordeel uit van Ruschrome.

Conclusie

Gelijk hebben en gelijk krijgen zijn twee verschillende dingen en de partij die de bewijslast krijgt, draagt daarmee een zeker bewijsrisico. Het te leveren bewijs van de feiten is vaak doorslaggevend voor uitkomst van de zaak, waarbij de rechter geheel vrij is in de waarde die hij wil toekennen aan het te leveren bewijs. Voor afzenders, geadresseerden en vervoerders is het daarom belangrijk om op voorhand in de gaten te houden wat zij bij schade of verlies moeten stellen en bewijzen. Bij het op de juiste wijze volgen van procedures rond de overdracht van een zending, kan worden voorkomen dat u in bewijsnood komt, omdat er bijvoorbeeld gebruik kan worden gemaakt van bewijsvermoedens.

 

Voetnoten

 

[1] Mr. drs. M.L. Hendriks, Prof. mr. Ph.H.J.G. van Huizen, CMR: Internationaal vervoer van goederen over de weg, Uitgeverij Paris: Zutphen 2005, p. 150. 

[2] ECLI:NL:GHDHA:2020:95, S&S 2020/52

[3] Mr. drs. M.L. Hendriks, Prof. mr. Ph.H.J.G. van Huizen, CMR: Internationaal vervoer van goederen over de weg, Uitgeverij Paris: Zutphen 2005, p. 118 e.v.

[4] Zie bijvoorbeeld Rb. Rotterdam 31 januari 2002, S&S 2003, 46

[5] ECLI:NL:RBZWB:2020:4113, S&S 2020/106